Feeds:
Berichten
Reacties

107e dag

Omdat volgens het meisje van Tourist office de Etruskische graftombes pas om 12 uur open gaan, heb ik geen haast. Beetje internetten, stad bekijken. Om twintig over twaalf loop ik nog even langs bij het Tourist Office: kan ik erheen lopen of moet ik een bus nemen? En dan blijkt dat de necropool al de hele ochtend open is; kaartverkoop sluit om kwart voor een, het hele complex om twee uur! Ik ben verbijsterd. Heb ik het soms verkeerd begrepen? Nee, ik zie dat het meisje al bestraffend toegesproken wordt. Ik ren de deur uit. Om twintig voor een sta ik voor de biglietteria. Vijf kwartier, dat moet kunnen.

De plek zelf is prachtig: heel mooi uitzicht naar het noorden en noordoosten. Boven elke tombe is een huisje gebouwd dat alleen bestaat uit een kleine hal waar de trap naar beneden begint; die eindigt bij een dikke glasplaat. Daar doorheen kijk je de tombe in. Je ziet dus alleen maar drie wanden (links en rechts dan nog maar gedeeltelijk); bij een dubbele grafkamer zoals de Caccia e Pescia vang je van de tweede (in dit geval de mooiste) maar een glimp op. Verder is een aantal belangrijke tomben gesloten, tijdelijk of permanent.

Wat ik wel zie, is natuurlijk weergaloos. Zo zie je het volgens mij nergens anders. Het valt me echter op hoe beschadigd ook hier alles is. Ik vraag me af hoe lang de boel gewoon open geweest is. Tarquinia In de Tomba della Fustigazione kun je duidelijk zien dat de erotische scene moedwillig beschadigd is en dat “cruciale delen” onder zwarte vlekken verborgen zitten; heeft iemand geprobeerd die weg te poetsen of kon een tijdlang iedereen hier gewoon met zijn fikken aan zitten en is dit het resultaat? Ik lees bij een ander graf dat het in 1962 nog geplunderd is! Hoe lang is het complex gewoon vreselijk slecht beheerd?

Om twee uur sta ik weer op straat, diep onder de indruk. De bus komt langs en ik mag weer mee; naar Monte Romano, waar ik gisteren niet kon komen omdat ik de rivier niet over kwam. Deze chauffeur rijdt alsof de duivel hem op de hielen zit, hij sleurt de bus door de bochten. Tien minuten later ben ik al in Monte Romano. Nu zou ik door het bos naar de oever van de Traponzo moeten lopen – en dan weer terug hierheen. Maar dat schenk ik mezelf, ik heb gisteren meer dan genoeg kilometers extra gelopen. Het is viftien km naar Blera, dat is nog wel te halen voor donker.

Na een paar km merk ik pas hoeveel honger ik heb. Nergens aan gedacht natuurlijk. Ik heb nog toastjes en een kuipje jam, meegenomen uit Pitigliano. De brokjes toast (dat zijn het intussen) doop ik in de jam en eet ik zo langzaam mogelijk op. Over een rustige verkeersweg en door een mooi landschap loop ik naar het oosten tot het donker wordt. Dan ben ik op de kruising waar ik naar het zuiden wil, naar Civitella Cesi. Maar eerst slapen en eten: in Blera. Liften dus. Er stopt een driewieler met brandhout; ik wil al bij mijn rugzak in de bak kruipen maar de man gebaart dat ik er best bij kan voorin. Zo zitten we samen achter het stuur, want in die dingen is maar een zitplaats. In Blera vind ik snel onderdak in de bar-ristorante-pizzeria-camere La Torretta.

106e dag

Met de fleece nog aan loop ik al vroeg te zweten door Tuscania: het wordt warm vandaag. Ik ben weer eens het slachtoffer van de Tabacchi, die het monopolie op de verkoop van buskaarten hebben weten te behouden. Ik moet met de bus naar Tarquinia en ik kan geen Tabacchi vinden. Als ik eindelijk met een kaartje buiten sta, komt daar de bus al langs. Ik zwaai met mijn kaartje en de chauffeur stopt, halte of geen halte.

Waar ik pas in de bus aan denk: het is maandag, dan zijn musea vaak dicht… en de necropolen dus ook. In Tarquinia even bij Tourist Information langs…  shitshitshit. Morgen om 12 uur is de necropolis pas weer open. Snelle change of plans: ik neem meteen de bus terug en loop naar Monte Romano aan de verbindingsweg Vetralla-Tarquinia; dan heb ik nog een aardige etappe gelopen en ga ik morgen van daaruit weer met de bus naar Tarquinia.

Als ik net de stad uit ben stoppen de Carabinieri. Identificeren! En waar slaap ik dan wel? Ik hen het echt op de lippen: A la strada (likmeschoenzolen) ! Maar ik voeg er nog net “non” voor. Verder vertellen ze me dat deze weg doodloopt, er is geen brug over de Traponzo. Mijn kaart zegt echter iets anders! Ze kunnen me wat. Heerlijk weer is het, warm eigenlijk. Al snel zie ik niemand meer. Na een uur of twee verandert de weg in een pad. Het begint te dalen; klopt, dan nader ik de rivier. Er komt een auto aan, de eerste sinds twee uur. Voor de zekerheid vraag ik of ik hier de rivier over kan.

Het is de boer op wiens erf de weg eindigt. Nee, er is geen brug. Een paar kilometer naar het oosten was er wel een maar die is allang kapot, je kunt er ook te voet niet over.Vertwijfeld vraag ik of ik dan helemaal niet naar de overkant kan. Hij gaat me iets uitleggen; vanaf het erf wijst hij naar een plek aan de oever. De kettinghonden hebben al de hele tijd problemen met mijn aanwezigheid. Ik begrijp het niet goed maar er lijkt toch een mogelijkheid te zijn, alleen zegt hij zoiets als “ik zou het zelf niet doen”.
Traponzo
Eenmaal ter plekke zie ik wat hij bedoelde: een paar omgevallen bomen liggen dwars in de snelstromende rivier. Ze halen niet eens de overkant; vanaf een zijtak zou je daar naar toe kunnen springen. Maar hij zou het niet doen, nee. Ik ook niet.

Volgt een mooie strompeltocht langs de oever naar het westen; misschien kan ik toch ergens… Eerst langs de rand van een enorme akker waar ik veel pootafdrukken van wilde zwijnen zie; er wordt trouwens flink op ze gejaagd, overal hangen waarschuwingen op. Een tijdlang hoop ik nog zo naar Tarquinia te kunnen lopen, dat is tenminste iets, maar er komt een zijrivier en een heuvel; ik vind wel een pad maar dat draait naar het noorden en dan naar het oosten…

Kortom, na anderhalf uur heb ik een prachtige cirkel gelopen door een gebied waar echt nooit iemand komt behalve jagers. Ik heb er alleen niet echt van kunnen genieten. Ik kom terug op de weg naar Tuscania… dat is nog wel twee uur lopen. Gelukkig komt er nog één auto aan die me meeneemt. In Tuscania denk ik vervolgens: mooie stad maar niet nog een dag! Ik ga liften naar Tarquinia.

De man die me meeneemt heeft veel te vertellen. Vijf keer al hebben ze hem besodemieterd, begrijp ik. De cativi! En alleen maar omdat hij van Sardinië komt. Aan Sardijnen hebben ze hier een hekel, zegt hij. In  Tarquinia vind ik na enig zoeken een B&B dat open is en een uitstekende trattoria. Aardig levendig stadje trouwens; niet zo’n mooie eenheid als Tuscania: hier staat is oud en nieuw wat meer door elkaar. Maar er is wel wat meer “te doen”.

105e dag

Rustdag na drie dagen lopen, het moet niet veel gekker worden. Maar er zijn goede redenen: er is hier een internet point en ik wil het een en ander bezoeken, in de eerste plaats de beide Romaanse kerken en ook het museum. De Basilica di San Pietro en de Basilica di Santa Maria Maggiore liggen buiten de muren, op de heuvel waar de Etruskische acropolis was. Aan alle kanten vrij, er staan alleen resten van Romeinse en middeleeuwse torens bij. Het geheel is adembenemend. De hele heuvel wordt pas sinds kort archeologisch onderzocht, hij schijnt vol ondergrondse ruimten en graven te zitten.

Behalve de ligging is ook de ouderdom van beide kerken bijzonder. Tuscania Zoals ze er nu staan zijn ze grotendeels elfde-eeuws maar de kern is uit de achtste eeuw en toen is er uitgebreid gebruik gemaakt van “bouwmateriaal” dat deels Romeins en deels nog ouder was. De crypte van de San Pietro is uit 648; je kunt er een keur aan Romeinse zuiltjes zien. Vooral in de San Pietro is van de oerversie veel behouden,  o.a. het hele voorfront en het ciborium (de “overkapping” van het altaar). In de Santa Maria is de hele preekstoel uit de achtste eeuw. Tot 1971, lees ik, was bovendien een groot deel van de achtste-eeuwse fresco’s nog goed bewaard! In dat jaar is bijna alles door een aardbeving vernield.

En dan ben ik ook nog eens bijna de hele tijd alleen op deze mooie plek. Dat geldt ook voor het museum dat gevestigd is in twee vleugels van het voormalige klooster Santa Maria del Riposo in de stad. Aardige presentatie van wat hier rondom Tuscania gevonden is; geen echte topstukken, wel enkele mooie sarcofagen. De belangrijkste stukken komen uit de tuin van de familie Campanari. In 1839 “ontdekte” die familie (ze waren rijk dus ze zullen wel hebben laten ontdekken) een gtote graftombe met 24 sarcofagen en allerlei kleiner spul. De mooiste dingen hebben ze verkocht; met de rest hebben ze hun tuin ingericht. Overigens wordt er de laatste jaren hier weer vrij veel gevonden.

Verder heb ik op deze rustdag twee keer uitgebreid gegeten, ik kan geen pap meer zeggen, en door het sfeervolle centro storico geslenterd.  En ik heb de meest gedetailleerde kaart die er te krijgen is: de provincie Lazio, 1:250.000! Vreselijk, daar is natuurlijk niet mee te lopen maar ik heb er de route van Ardito op ingetekend. Dan zie je duidelijk dat die een enorme omweg maakt langs alles wat Etruskisch is. Zo bont wil ik het niet maken; morgen ga ik naar Tarquinia maar daarna terug naar Tuscania en volgens een wat meer rechtstreekse route naar Rome.

104e dag

Bij de boeken in de snobistisch ingerichte eetzaal liggen ook kunstboeken over Tuscania en Tarquinia. Geweldig, daar moet ik echt heen! Tuscania ligt op mijn route, de etappe van vandaag eindigt er; naar Tarquinia zal ik de bus moeten nemen. Op de tv is het net tijd voor de Meteo. Heel Italië heeft parapluutjes…

Cerrosughero

Toch is het bij mijn vertrek nog droog, er staat wel een stevige wind. Na ruim een uur over de vervelende weg nr. 312 (maar het kan  niet anders) ben ik in Canino. Centrum van de streek die een van de beste olijfolies van Italië produceert (de beste, zeggen ze zelf). Het wordt snel donker, er komt onweer aan uit zee. Ik ga op zoek naar kaarten maar moet snel schuilen; in een cantina, het is toch etenstijd.Een geel geschilderde kelder met tuintafels, houten banken en wegwerpservies. Ze draaien oude Italiaanse amusementsmuziek, een soort hatsekidee-genre. Bij een lang lied bestaat de begeleiding uit fragmenten van scootergeluid die ritmisch gebruikt worden; het lijken net scheten en zo zal het ook wel bedoeld zijn. La mama staat te koken achter een gordijn. Klinkt allemaal erg gewild misschien maar ik eet er prima voor 10 euro alles bij elkaar (inclusief wijn). Intussen stroomt de regen door het straatje en volgen de donderslagen elkaar snel op.

Pas tegen half twee houdt het op. Is Tuscania nog haalbaar vandaag? Er moet een korte route zijn maar die durf ik zonder goede kaart niet te lopen. Dus maar weer over de verbindingsweg die slingerend over Tessenano en Arlena een flinke omweg maakt. Als ik het niet haal kan ik dan altijd nog liften of de bus nemen. De omgeving is erg mooi, jammer dat ik alsmaar op asfalt loop. Ik maak een serie “portretten” van olijfbomen (die ik op Flickr “olive trees” noem, eens kijken of het aantal hits dan veel groter wordt).
olive trees
Om vijf uur ben ik nog vijf km verwijderd van Tuscania. Het laatste uur loop ik in het donker; dat kan, het is volle maan, maar bij elke naderende auto moet je absoluut van de weg af en dat is wel lastig lopen. Zo heel veel komt er  gelukkig niet langs. Als ik Tuscania binnen loop heb ik het weer eens “helemaal gehad”. Ik probeer een B&B, die zit vol; ik zoek niet verder maar neem een hotelkamer en laat me daar op bed vallen.

Toch moet ik er nog uit: het hotel heeft geen restaurant. Het centro storico van Tuscania is groot en buitengewoon sfeervol, ondanks mijn vermoeidheid slenter ik er nog wat rond omdat het zo mooi is. Alle straten met natuurstenen klinkers, vrijwel alle huizen dezelfde kleur: oud afbladderend oker. Bij de pizzeria Sant’ Agostino del Patata hebben ze geen tafeltje meer voor me; had ik maar moeten reserveren! Ja hallo, dat doe ik al sinds 13 augustus niet.  Ik eet bij een pizzeria vlak bij het hotel: heerlijke bruschetta, een enorme pizza en … bier!

103e dag

Om drie minuten over half negen komt het meisje, dat voor het ontbijt moet zorgen, het hotel binnen rennen: scusa scusa, half negen was afgesproken. Ik zeg dat ze maar piano piano moet doen, ik heb geen haast; ik houd immers nog dagen over! Na het ontbijt ga ik even het mooie centro storico van Farnese in; misschien wat minder spectaculair dan Pitigliano maar helemaal niet op toeristen gericht en dat maakt het toch nog veel leuker, al waren die er in Pitigliano nu ook niet.

Ontspannen loop ik naar Ischia di Castro, alweer zo’n mooi stadje op een rots. Ik word daar enorm bekeken, zijn ze hier werkelijk geen toeristen gewend? Er stopt een auto van de carabinieri: wie ben ik, wat doe ik, waar slaap ik? Naarmate mijn haren en baard langer werden zijn die carabinieri wel langzamer voorbij gaan rijden, soms kwamen ze zelfs nog een keer terug, maar dit is de eerste keer dat er een stopt. Dat inspireert mij even later tot het volgende marsliedje:

“Kijk, daar zijn de carabinieri / Altijd weer die carabinieri / Mij krijgen ze niet klein / ‘k Heb ook een karabijn / Net zoals die carabinie-e-ri!”  (Wijs: hoe het oorspronkelijk heet weet ik niet maar voetbalsupporters maken er ook eigen teksten op) NB dat mijn karabijn eigenlijk alleen maar een luchtbuks is, daar komen ze toch lekker niet achter!

Volgens de kaart kan ik vrij snel in Cellere zijn. Het is een gedetailleerde kaart dus ik kan paden en kleine wegen lopen – denk ik. Maar nu blijkt dat deze mooie kaart slechts gedeeltelijk op nieuwe opmetingen gebaseerd is; hele stukken zijn gekopieerd van die oude topokaarten uit de jaren ‘70 en ‘80! Dat kun je ook zien aan het lettertype van de namen van poggio’s, gehuchten enz. Hier is intussen veel veranderd. Ik loop uiteindelijk vast op een akker die eindigt boven een vrij diepe vallei. Wel interessant hier: antiek brokstuk de boer heeft een groot stuk marmer naar boven gehaald dat hij maar zo lang op een oude ploeg gelegd heeft.

Uiteindelijk kom ik wel in Cellere maar dan is het al half drie. Een geweldig sfeervol dorp, ook boven op een lange rots. Alleen aan de auto’s zie je dat het geen 1960 of zo is. Ik loop uitghongerd een bar binnen waar tientallen mannen van boven de 60 zitten te kaarten, enorme herrie (zonder muziek; alleen praten en lachen!). Slapen lukt hier niet, hoor ik. Daarvoor zal ik door moeten naar Canino. Dat is nog wel ver. Halverwege is een agriturismo, ze noemen de naam: Cerrosughero.

Dat haal ik net voor het donker, met pijnlijke voeten. Het is behoorlijk sjiek; de kamers zijn grote appartementen. Het ristorante is pretentieus en gastronomisch; het zit vol kakkerig volk. Ik houd mijn hart vast: wat gaat dat kosten? Maar voor mij zakt de kamerprijs naar 50 euro en voor het copieuze diner betaal ik 33. Je moet het niet elke dag doen maar ach, ik vier dat ik er bijna ben, zal ik maar zeggen.

102e dag

Vandaag van Pitigliano naar Farnese, volgens het boekje van Ardito een vrij lange en hier en daar lastige “tappa”. Ik zal hem vereenvoudigen door een flink stuk verkeersweg te lopen, dat is wel asfalt maar het schiet op. Verkeer is er trouwens nauwelijks. Het is zacht weer geworden; er hangt een dicht wolkendek. Na twee uur verkeersweg kan ik het bos in, de Selva del Lamone. Een bijzonder woud. De ondergrond bestaat bijna overal uit losse rotsen waar de bomen en struiken zich doorheen moeten wurmen; erg groot worden die dus niet.

Lunchpauze diep in het bos: met pane integrale en prosciutto crudo, vanmorgen gekocht in Pitigliano. Selva del Lamone Nu is het heel gewoon, bedenk ik, over een tijdje zal het, als ik eraan terug denk, iets heel bijzonders geworden zijn. Na bijna twee uur woud loop ik het laatste stuk weer over de verkeersweg. Als ik Ardito helemaal gevolgd had was het toch een probleem geworden, het is alweer bijna donker. Ik heb 23 km gelopen; de benen willen niet erg meer en de rugzak lijkt weer dubbel zo zwaar.

In de bar op het centrale plein van Farnese wordt er voor me gebeld naar een hotel dat eigenlijk dicht is maar waar ik toch wel terecht kan; er wordt iemand met me mee gestuurd en even later heb ik een kamer in Ostello Ortensi voor 26 euro. Ik heb het hele hotel voor mezelf.

Ik eet in een pizzeria die ook primi en secundi heeft, zelfs wild zwijn (voor heel weinig geld). Dat bestel ik maar eens. Houten banken; veel in en uit lopende mensen die pizza’s komen halen. Naast me een moeder met haar twee grote zonen die heel stoer doen. Ze vindt alles leuk wat die twee zeggen en doen, ze moet overal om lachen. Even later zitten ze heel serieus te praten en vertrouwen ze mama alles toe wat ze net, buiten, mobiel met hun vriendinnen besproken hebben.
Ik zie nu dat het “schuim scheppen” waar de barman in Pitigliano over begon, werkelijk gedaan wordt: bij een aantal biertjes voor een andere tafel wordt het schuim met een lepel netjes verdeeld zodat iedereen even veel heeft… Het zijn toch geen bierdrinkers, die Italianen.

101e dag

Rustdag: lekker uitslapen dus, dacht ik. Om half zeven komt er een zware machine door de straat, heel Pitigliano trilt. Tien minuten later komt hij terug. Echt slapen lukt mij na zoiets niet meer. Na het ontbijt (in de bar uiteraard) koop ik sinasappels, peren en bananen in de frutta e verdura vlakbij: ik heb een grote behoefte aan fruit. Weer naar de computer in de Jerry Lee bar. En ik doe mijn was. Zo is de ochtend snel voorbij.

’s Middags een bezoek aan de Joodse wijk, die ze hier gemakshalve ook maar ghetto noemen. Eind zestiende eeuw zijn veel Joodse families gevlucht uit de Pauselijke Staat vanwege de aanhoudende pogroms aldaar; een grote groep heeft zich toen onder bescherming van Florence geplaatst en is hier gaan wonen. Tot de jaren dertig van de twintigste eeuw is het een bloeiende Joodse gemeenschap geweest. Tussen 1938 en 1941 heeft het grootste deel daarvan weten te vluchten, veelal met hulp van niet-Joodse stadgenoten; een twintigtal is naar Duitsland gevoerd en vermoord. Na ‘45 is er niemand hier teruggekomen. Veel huizen staan nog steeds leeg. De synagoge is onlangs geheel gerestaureerd en maakt deel uit van het museum “La Piccola Gerusalemme” (zo werd Pitigliano wel genoemd).

Ik ben niet de enige bezoeker. Er is ook een Chinese vrouw die goed Engels spreekt; ze blijkt dan ook al twintig jaar in Chicago te wonen. Ze laat zich min of meer door mij rondleiden. Vraagt me hoe ik dat allemaal weet. Alles staat op de infoborden en de folder die je bij de receptie krijgt maar zij leest niet. Dat de Duitsers de Joden niet zo goed behandeld hebben, ja, dat heeft ze wel eens gehoord. Ze is al voor het vierde jaar in Toscane, telkens doet ze een gedeelte; je zou zeggen dat ze dan toch redelijk op de hoogte moet zijn maar ze weet niets. Ze reist alleen maar spreekt geen woord Italiaans, is geheel afhankelijk van toevallige ontmoetingen met Engelssprekende mensen. Pitigliano vindt ze wat deprimerend, zo oud en zo’n smalle straatjes. De grote Via Cava bij Sovana is een must, dat staat in haar boek en dus moet ze daar morgen met een taxi heen want er rijdt geen bus - zegt ze zuchtend. Ze zucht veel. Het meisje van de receptie slooft zich voor haar uit, belt de busmaatschappij en kijkt op de website of er niet toch een bus rijdt. Ik vertel de Chinese wat het meisje voor haar doet want ook dat heeft ze niet in de gaten en ze bedankt het meisje ook niet.

Als ik ’s avonds een restaurant binnen loop, zit zij daar al in haar eentje te worstelen met een bord spaghetti. Ik kan niet anders dan bij haar gaan zitten. Als ik na mijn spaghetti nog een secundo krijg is ze verbaasd: wat eet ik veel! Ik probeer te achterhalen wat haar trekt in Toscane. Ze komt niet verder dan dat het in Amerika “very famous” is. Wel wil ze graag weten wat ik hier de moeite waard vind maar daarbij gaat het haar alleen om plaatsnamen en of je daarheen “moet”. Als ik iets noem dat niet in haar reisgids staat zegt ze achterdochtig: “But it’s not in my book”.

Een tafel verder zitten twee Amerikaanse vrouwen met twee heren, een Amerikaan en een Italiaan. Geld genoeg, dat hoor je meteen. Verwend en verveeld. Praten luid, over boten (jachten) en Thanksgiving. De vrouwen maken onderling toespelingen op de komende nacht die de slecht Engels sprekende Italiaan waarschijnlijk ontgaan.
Pitigliano
Ik ben blij als ik weer alleen door de nachtelijke straten van Pitigliano loop. De katten zijn actief. Ik loop even binnen bij de schilder Adrian Pio die vreselijk lelijke dingen maakt maar mooie muziek op heeft staan. Hij vertelt daar enthousiast over: wat ik hoorde toen ik binnen kwam was boerenmuziek uit de Maremma. Hij laat me ook Riccardo Marasco horen met liederen van de negentiende-eeuwse Florentijnse zanger Spadaro. Prachtig. Ik leef helemaal op.

100e dag

Honderd dagen vandaag! Ik kan het nu wel zeggen: ik had eigenlijk in honderd dagen naar Rome willen lopen. Zonder de problemen met doorgezakte voet en pijnlijke knie zou dat, denk ik, ook gelukt zijn. Dan had ik veel sneller door Noord-Italië kunnen lopen en ook minder rustdagen nodig gehad. Maar nu ben ik al heel blij dat ik het ondanks alles ga halen: daar durf ik nu tenminste wel van uit te gaan.

Als ik Sovana uit loop, zie ik een serie Etruskische graven aangegeven die ik alleen van naam ken: die langs het stroompje de Folonia. Een kleine bochtige via cava brengt me erheen. Rotsen vol mos en steenplanten, boompjes die door de rots heen groeien en hele rijen graftomben en “gewone” graven. Ook hier zijn de decoraties in de tufsteen natuurlijk vrijwel helemaal afgesleten maar het blijft prachtig. En weer niemand.

Van hieruit loopt een gemarkeerde wandelroute naar Pitigliano, door de kloof van de Lente. Ik neem die eerst en verlaat hem dan toch omdat na een tijd het pad steil de kloof in daalt en bovendien bijna dichtgegroeid is; blijkbaar doen weinig mensen het op deze manier. Zo kom ik Pitigliano binnen over de verkeersweg, na eerst beneden bij de Lente nog de via cava van San Giuseppe bezocht te hebben; dat zou de Etruskische weg naar Sovana geweest zijn. Je kunt van hieruit mooi zien hoe de stad ligt, “vergroeid met de rots” zoals dat in de beschrijvingen heet. Een van de steden in het boek van Calvino over de “onzichtbare steden” is hierop gebaseerd.
Pitigliano
Pitigliano is een toeristisch trekpleister maar ook hier is het deze tijd van het jaar heel stil, uitgestorven soms: in het westelijk stadsdeel, met o.a. de voormalige Joodse wijk, zie je niemand. Ik neem hier een goedkoop B&B en besluit er morgen ook nog te blijven. De Jerry Lee bar beschikt over een computer voor publiek gebruik. Ik zit er uren achter tot verdriet van enkele lokale internetverslaafden die moedeloos in en uit drentelen. Na half elf draait de barman hardrock, hij brult alles woordelijk mee. Lekkere sfeer; ik werk onverstoorbaar door, mijn achterstand op het weblog is groot.

99e dag

In dit stadje kan ik eindelijk weer eens een goede kaart kopen: 1:25.000, “Alta Maremma e Selva del Lamone”, te gebruiken tot Cellere, dat wil zeggen een dag of drie lopen. ook nog op sterk papier. Wel duur: 16 euro. Uitgeverij “Il Lupo” heeft ontdekt dat hier behoefte aan is en vraagt er teveel voor.

Het is nog steeds erg koud, de sneeuw smelt nog niet. Terugliften naar Selvena lijkt eerst moeilijk te worden want er is vrijwel geen verkeer maar de vierde auto (die komt na twintig minuten) neemt me mee. De bestuurder is verbaasd dat ik er meteen in Selvana alweer uit wil; ik kan nog een heel eind verder meerijden! Maar zo doe ik het nu eenmaal, hier ben ik gisteren gestopt. Ik begin te lopen met een goed humeur, het is nog niet laat en het weer is mooi, koud maar zonnig. Tegen een man die zit te wachten in een bestelauto van de firma “Pellegrini” maak ik zelfs een grapje: “Sono anche pellegrino!” En echt, hij vindt het leuk.

Voorlopig veel asfalt maar wel van de betere soort, een uiterst rustige weg. De eerste anderhalf uur langs de westrand van het natuurreservaat “Monte Penna” (waar de echte wilde kat nog voorkomt, lees ik; die wordt bijna een meter lang). Alsmaar dalend, al snel ben ik 300 meter lager dan Castell’ Azzara en ligt er geen sneeuw meer. Voortdurend prachtig uitzicht, ik kan over de lage heuvels heen Elba zien liggen en een streep zee – en misschien ook Sardinië, het is vaag.

Het schiet vandaag enorm goed op. Om drie uur ben ik al vlakbij Sovana. Ik zou wel door kunnen lopen naar Pitigliano maar ik wil een uitgebreid bezoek brengen aan de necropolis van Sovana. Ik ben hier in 2001 geweest maar toen hebben we maar een deel gezien; dat wil ik opnieuw zien en als het kan ook nog veel wat we toen overgeslagen hebben. De route die ik volg moet volgens de kaart uitkomen in de beroemdste via cava, de grote Cavone, die je “de moeder van alle holle wegen” zou kunnen noemen. Door de Etrusken uitgehakt in de tufo meer dan 2500 jaar geleden. Ik ben benieuwd of dat klopt; zes jaar geleden stond er een bigletteria en moest je entree betalen voor het “Parco Archeologico”.

Het is heel spannend. Cavone (begin) Ik loop mijn weg die ik al 99 dagen loop, hij begint sterk te dalen, links en rechts wordt de rotswand hoger en dan loop ik werkelijk in de Cavone! In het midden zijn de wanden meer dan tien meter hoog. Het is er heel, heel stil, op die ene schreeuwende vogel na. De bigletteria blijkt verlaten. Daarna naar de graven. Eerst de paar grote die ik al ken. Daarna naar een hele serie aan de overkant van de weg, met de “Tombe del Sirene” als bekendste; en nog een heuvel op met tientallen kleine graven waarvan sommige heel bijzonder, bijvoorbeeld die met in de wanden ingeslepen “cassettes”, rijen en kolommen vierkanten. Etruskisch graf Ik dwaal bijna anderhalf uur rond en kom al die tijd helemaal niemand tegen. Alles ligt ook nog in prachtige natuur: de meest grillige rotsen, diepe donkere spleten met alleen mos en zonnige plekken met uitbundige plantengroei.

Tegen half vijf loop ik door naar Sovana en dan merk ik pas dat ik erg moe ben. Gelukkig is het niet ver meer maar ik moet wel nog even omhoog, ik kom nauwelijks vooruit. Trappen naar het kerkhof en een oplopende keienweg die ik nog wel ken. Sovana, het stadje van één straat, ligt er nu buiten het seizoen heel stil bij. Er is wel een B&B open, aan het centrale plein, en daar slaap ik goed.

98e dag

Het gehucht waar ik ben blijkt Aiuole te heten; dat is ook de naam van het hotel. Tot Santa Fiora volg ik de verkeersweg. Er is weinig verkeer op deze zondagmorgen. Santa Fiora zelf ken ik nog niet, ik loop er een uurtje rond. In de kerk hangt prachtig werk van een van de Della Robbia’s (Lucca?). Santa Fiora Heel erg mooi; dat water waarin Jezus staat bij de doop door Johannes! Het is geglazuurd aardewerk maar die Della Robbia’s konden daar alles mee. De stad zelf is overigens ook buitengewoon sfeervol, de bekende wirwar van kleine straatjes en een mooi uitzicht over de omgeving, zeker nu met die sneeuw.

Afdalend naar beneden tref ik daar vanzelf de CAI-wandelweg nr. 19 die ik kan volgen tot Selvena. Op de kaart lijkt het nog wel een verbindingsweg maar hij verandert in een strada bianca die me in een volkomen verlaten gebied brengt, langs de lagere delen van de oosthellingen van de Monte Calvo. Ik loop al snel weer op 800 tot 900 meter hoogte.  Steeds meer sneeuw; eerst nog smeltende maar dan gewoon een sneeuwdek. Ik moet goed opletten: er zijn verijsde stukken die erg glad zijn en soms is niet duidelijk wat er onder de sneeuw is; een keer sta ik ineens in het water, ik weet niet hoe snel ik er weer uit moet springen. Wonderlijk genoeg blijven mijn voeten droog: goede schoenen! Vanaf dan prik ik maar voor me uit met de Leki-stokken.

Het is prachtig, volledig stil op de wind na en de vogels. Alleen: ik heb weer eens niets te eten bij me. Ik leer het ook nooit. Om half twee bereik ik een asfaltweg en drie kwartier later ben ik in Selvena. Eten!! De eerste bar heeft geen eten. Ik spreek een wandelend echtpaar aan. De man brengt me naar een bar waar ik wel iets eten kan: een stuk pizzarella. Van de kwieke bejaarde dame achter de bar (zeker 80) hoor ik dat ik hier nergens slapen kan. Het is intussen drie uur; doorlopen naar Sovana of Pitigliano is onmogelijk, dat is bijna een dagtocht. En tussen hier en daar is niets, op eventuele agriturismi durf ik niet te rekenen. De stad in de buurt is Castell’ Azzara; daarvoor moet ik terug naar het noorden en dan naar het noordwesten, nog anderhalf uur schat ik. Omhoog. Ik kom nu al nauwelijks meer vooruit. Ik ga liften; morgen maar weer terug naar deze plek om verder te lopen!

Castell’ Azarra ligt hoog, met prachtig uitzicht naar het noorden en oosten. Er ligt hier enorm veel sneeuw; langs de straat grote opzijgeschoven hopen. Een pizzeria heeft appartementen; ik kan er een hebben voor 35 euro. Erg mooi appartement. De pizzabakker is ook bierliefhebber, hij heeft Chouffe en andere Belgische bieren maar ook het bijzondere Amiata-kastanjebier dat in Le Pergole gebrouwen wordt. appartement Castell' AzzaraIk drink de “bastarda rossa” (dat is een bepaald kastanjeras). Als hij klaar is met bakken komt hij bij mij aan tafel zitten en biedt me een paar glazen goede wijn aan: Sovana. Ja, zo gaat het wel weer.

« Nieuwere berichten - Oudere Berichten »