1 Welke route volg je?
Ik heb zelf een min of meer rechte lijn getrokken van Maastricht naar Rome. Achteraf weet ik niet of dat nou echt aan te bevelen is. Voordeel: een geheel eigen route lopen is iets bijzonders. Je ontdekt alles zelf. En voor vrijwel iedereen ben je de eerste Romeloper die ze ontmoeten. Nadelen: je feitelijke weg kronkelt vaak erg om die ideale lijn heen en dan nog zijn er soms geen mooie paden te vinden, zodat je asfaltwegen moet lopen. Vooral in Italie. Nog een nadeel: als je niet dol bent op “het zelf uitzoeken” (ik ben dat wel) zal je soms de lol vergaan. Ook ik heb wel eens gedacht: was ik maar niet zo eigenwijs geweest, had ik maar een precies beschreven route gevolgd; die zijn er toch niet voor niets?
MAAR! Ik heb geprobeerd enkele trajecten volgens zo’n beschreven route te lopen: de Via degli Dei van Bologna naar Florence en ook verschillende stukken tussen Florence en Rome volgens het boekje van Stefano Ardito, A piedi da Firenze a Siena e a Roma. Dat valt ook niet mee. Zowel de Via degli Dei als Ardito laten je vaak mooie maar lastige paden lopen; lastig zowel in de zin van vermoeiend als lastig te vinden en volgen. Daar heb je vaak gewoon geen zin in, zeker niet als je de hele tocht in een keer doet. Dan wil je niet altijd over een berg als je er ook omheen kunt.
Ardito heeft bovendien de neiging om je langs alle oudheden te leiden die er in de wijde omtrek te zien zijn; prachtig als je maar een stukje van zijn route loopt, in een herfstvacantie of zo, maar minder als je al maanden onderweg bent. En trouwens: het boekje van Ardito is in het Italiaans en in plaats van helder en eenduidig is zijn woordkeus ook vaak nog behoorlijk bloemrijk. En hij maakt soms fouten, dat kan ik op enkele plaatsen aantonen! Het pad kan sinds het verschijnen van het boekje misschien veranderd zijn maar sinistra is zeker niet destra geworden. Daar komt nog bij dat sommige passages, zowel van de Via degli Dei als van Ardito, gewoon riskant kunnen zijn bij nat weer.
Kortom: ook als je zo’n beschreven route volgt, zul je het toch vaak zelf uit moeten zoeken met kaart en kompas – en als je er echt “vanaf” bent, ligt het vaak meer voor de hand om andere wegen te volgen dan te proberen die route weer terug te vinden.
Waar ik niets over kan zeggen is het alternatief van Florence naar Rome: de twee “Franciscaanse voetreizen” door Umbrie van Cees Roodenburg. Die wil ik nog wel eens lopen, in de eerste plaats om de prachtige streek natuurlijk maar ook om te kijken of dat echt zoveel langer duurt als ik dacht. Waarschijnlijk is eten en slapen daar ook goedkoper.
2 Welke kaarten gebruik je en hoe kom je daaraan?
Voor ik vertrok, had ik bij Pied-a-terre in Amsterdam zoveel mogelijk kaarten aangeschaft; die zouden me dan onderweg poste restante opgestuurd worden. Ik heb van die vooraf gekochte kaarten nauwelijks gebruik gemaakt. Je kunt in Duitsland en Oostenrijk overal wel 1:25.000 of anders 1:50.000 kaarten krijgen, van Kompass bijvoorbeeld; die houden pas bij het Gardameer op. Ten zuiden van het Gardameer is het andere koek. Daar moet je kopen wat je krijgen kunt, in de lokale Libreria of Tabacchi. Die Tabacchi (ze verkopen ook de buskaarten) hebben voor bepaalde regio’s eigen, behoorlijk gedetailleerde kaarten waar ook de gemarkeerde wandelwegen op staan. Ook hier een waarschuwing: als je een mooie route uitkiest die volgens je kaart gemarkeerd is, kan het gebeuren dat de markeringen in het veld ineens ophouden of al meer dan tien jaar niet ververst zijn en dus vrijwel onvindbaar als je geen familie van Arendsoog bent.
Verder zijn er ook topografische kaarten in omloop die op een soort krantenpapier gedrukt zijn (meteen in het plastic ermee, anders zijn ze na een dag al onbruikbaar); die zijn gebaseerd op opmetingen uit de jaren ‘80 of zelfs ver daarvoor. Er klopt soms geen hout meer van, dan loop je te denken: zou deze weg in 1980 misschien nog een pad geweest kunnen zijn? Dat levert aardige hersenspinsels op maar je komt er meestal niet verder mee. Van enkele “geliefde” streken zijn er splinternieuwe (en dure) kaarten van uitgeverij Il Lupo; ik heb het meegemaakt dat een deel van zo’n Lupo-kaart inderdaad actueel was maar een ander (groot) deel van diezelfde kaart, zonder aanduiding gewoon gekopieerd was van zo’n topokaart van tientallen jaren geleden! Zeer misleidend. Wolven zijn het.
En soms is er helemaal niets behoorlijks. De Povlakte ben ik doorgelopen met een wegenkaart van 1:150.000. De laatste 100 kilometer voor Rome trouwens ook. Dan kun je alleen maar de kleinste wegen nemen die erop staan. Soms zijn die onverwacht schitterend: “witte wegen” waar je niets en niemand tegenkomt.
Ik heb ook gebruik gemaakt van het volgende truucje. Langs de weg kom je allerlei info tegen van lokale instanties, soms zelfs borden met stukjes topokaart. Maak er een foto van! Die kun je altijd weer wissen als je hem niet meer nodig hebt. Datzelfde deed ik ook met borden van agriturismo’s en B&B’s, zeker als er telefoonnummers op stonden (altijd eerst bellen; kilometers omlopen voor een verblijf dat gesloten blijkt te zijn is erg vervelend). Als er na dat punt urenlang niets komt, kun je altijd nog terug. Dat brengt me bij het volgende onderwerp: overnachten.
Toevoeging 23 januari 2008: ik heb helaas nu pas lucht gekregen van de drie routeboekjes van Reitsma (zie link!). Gemaakt voor fietsers maar zeer bruikbaar, zowel voor trajecten waarvoor je een “snel” alternatief zoekt (zonder meteen verkeerswegen te nemen) als vanwege de genoemde overnachtingsmogelijkheden en restaurants!
3 Hoe zit het met overnachten?
Ik ben gestart met tent en kampeerspullen, mede om de kosten te drukken. Dat heb ik tien dagen volgehouden: toen heb ik ze terug naar huis gestuurd. Veel te zwaar, al had ik ook van alles het lichtste. Zonder al die spullen woog mio zaino aan het begin van de dag (met alle eten en water voor de dag) nog veertien kilo; zwaarder moet hij echt niet zijn, tenzij je familie van de Hulk bent. Vind ik tenminste. Negentien of twintig kilo sjouw je niet de Alpen over en vervolgens nog duizend kilometer door Italië waar je ook nog vaak flink moet klimmen en dalen.
Dat betekende wel voor mij: altijd eten in restaurants e.d. en slapen in Gastezimmer, hotels, pensione, ostelli, agriturismi, (affita)camere, noem maar op. Wat de kosten betreft: zie onder het onderwerp “kosten”! Tot de grens van Sud-Tirol (dan ben je best al een heel eind in Italie) zijn de Gastezimmer bij particulieren aan te bevelen: goedkoop, meestal goed en je hebt contact met de mensen. De agriturismi in Noord-Italie zijn ook goedkoop en soms toch luxueus. Dat verandert in toeristenstreken (zoals Toscane…), daar zijn ze veel duurder. Maar het is wel lekker om na een vermoeiende dag in zo’n luxe verblijf neer te strijken. Bovendien hebben die duurdere agriturismi vaak ook een restaurant; dat is handig want dan hoef je daar niet meer naar te zoeken.
Maar in veel gevallen moet je overnachten en eten in het hotel dat je aan het eind van de dag vindt; je bent al blij als je er een ziet en het is ook nog open. Wat in Italie vaak goed lukt is het volgende. Als je een dorp of een klein stadje binnen loopt, ga je naar de centrale bar (of gewoon de eerste bar die je ziet). Je drinkt koffie en propt iets zoets naar binnen en dan vraag je naar overnachtingsmogelijkheden. Vaak gaan ze voor je telefoneren en loopt er zelfs iemand met je mee naar het betreffende adres. De meeste mensen zijn heel aardig en behulpzaam. Voorwaarde is wel dat je een beetje Italiaans spreekt; het hoeft niet zoveel te zijn. Zie het onderwerp “Italiaans spreken”.
En soms wil je of kun je niet verder (bijvoorbeeld omdat het donker wordt) en er is geen hotel of restaurant in de buurt. Dan moet je naar een nabijgelegen dorp of stad. Tussen vijf en zes rijden de bussen redelijk frequent. Liften gaat ook goed in Italie. De volgende dag moet je het kunnen opbrengen om weer naar dezelfde plek terug te gaan om verder te lopen… (vind ik).
4 Hoe overleef je de Italiaanse verkeerswegen en het Italiaans rijgedrag?
Je ontkomt er in Italie niet aan af en toe over verkeerswegen te lopen. Soms is er gewoon geen andere mogelijkheid, of kun je geen kleine weg of pad vinden. Verkeerswegen zijn vaak niet zo druk; een enkele keer moet je een stuk langs een drukke weg lopen. Dat levert risico’s op, ook bij de minder drukke wegen trouwens.
In Nederland heb je geleerd als wandelaar links te lopen als er geen trottoir of voetgangersstrook is. In Italie moet je daarmee uitkijken. De weg is vaak bochtig en als je dan links loopt kan er ineens een auto voor je opduiken die scherp op of zelfs over de witte streep de bocht om komt (want zo rijden ze). Je moet dus afhankelijk van de situatie links of rechts lopen. Verplaats je in de bestuurder: kan die mij op tijd zien?
Het probleem is echter dat veel Italianen je niet op tijd zien omdat ze a) niet verder vooruit kijken dan een meter of vijf tot tien, b) de weg zo goed kennen dat ze hem op de automatische piloot rijden, c) zitten te telefoneren, enz. Soms lijkt het echt of iemand met opzet op je af rijdt maar dat is toch (vrijwel) nooit het geval. Daar komt nog bij dat veel Italianen rijden alsof ze gelanceerd zijn en alleen een beetje kunnen corrigeren met de stuurraketten.
Kortom: loop defensief! Blijf kijken naar de naderende auto en zorg dat je altijd nog van de weg af kunt. Als er links een rotswand, vangrail etc. is, wacht dan tot er niets aan komt of ga aan de andere kant lopen.
5 Hoe erg zijn de Italiaanse honden?
Italie is vergeven van de honden. Als je langs woonhuizen loopt, slaat vaak de ene na de andere waakhond aan en ze jutten elkaar enorm op. Die waakhonden kunnen meestal niet van het terrein af; vaak liggen ze ook aan de ketting (wat natuurlijk niet bevorderlijk is voor hun karakter). Je komt echter ook loslopende honden tegen. Die doen alleen hun werk, heb ik vaak tegen mezelf gezegd: schaapshonden zorgen dat je niet bij de kudde in de buurt komt, boerderijhonden hebben een afgebakend gebied dat je niet zomaar mag betreden. Toch zijn mij af en toe de rillinkjes over de rug gelopen. Ik had een dazer bij me en pepperspray voor noodgevallen (in Italie gewoon te koop). Beide heb ik gelukkig nooit hoeven te gebruiken maar wel in de aanslag gehad. Het geeft je toch een beter gevoel. Overigens heb ik gehoord dat de dazer averechts kan werken als je met meer honden tegelijk te maken hebt maar daar weet ik verder niets van.
6 Heb je stokken nodig?
In Bregenz heb ik twee lichtgewicht telescopische LEKI-bergstokken gekocht. Die zijn daarna buitengewoon nuttig gebleken en soms ronduit onmisbaar, vooral op steile, gladde paden. Evenwicht bewaren met een grote rugzak is moeilijker dan zonder en de stokken helpen daarbij; bovendien is het heel prettig om een beetje te kunnen steunen als je erg moe bent. De LEKI’s zijn me ook nog in heel andere situaties van dienst geweest: bij het lopen langs verkeerswegen hield ik ze soms (ingeschoven) “dwars” voor me, met de punt naar de weg. Ik geloof niet dat ik het me verbeeld heb: veel auto’s wijken dan wat meer uit. Wel oppassen dat het er niet te agressief uitziet
Mijn stokken waren de carbon-ultra light; in Sud Tirol / Alto Adige heb ik nog titanium LEKI’s gezien, die waren niet zoveel zwaarder en wel goedkoper.
7 Moet je Italiaans kunnen spreken?
Toen ik het Duitstalig gebied verliet, in Salurn/Salorno (niet ver boven Trento), wist ik dat een ding in elk geval moeilijker zou worden: de taal. Ik sprak maar een paar woorden Italiaans. Je moet echter onderweg met de mensen kunnen praten. Je hebt nu eenmaal voortdurend informatie nodig, zeker waar de kaarten slecht zijn maar ook als je op zoek bent naar onderdak. Men wil je vaak heel graag helpen maar dan moet je natuurlijk wel duidelijk kunnen maken wat je wil en vooral: (min of meer) snappen wat ze je vertellen. Bovendien helpt wat babbelen tegen de eenzaamheid. Met elk dier dat je onderweg tegenkomt kun je gerust Nederlands spreken (dat deed ik tenminste en ze begrepen me best) maar niet met Italianen. In toeristencentra lukt het wel met wat Engels, daarbuiten meestal niet. Toen ik voor het eerst een eenvoudig gesprekje gevoerd had met een vrouw bij een groentekar (de groenteboer was even koffie drinken), was ik als een kind zo blij. En overnachten zou vaak problematisch geweest zijn als ik niets in de lokale bar had kunnen vragen, of niet begrepen had wat ze zeiden.
Ik heb dus vanaf het begin geprobeerd zoveel mogelijk Italiaans op te pikken. Goed luisteren wat ze zeggen en hoe ze het zeggen; handige woorden en zinnetjes meteen noteren; veel opzoeken in een woordenboekje (dat ik altijd bij de hand had); ook gewoon vragen hoe iets heet of hoe je iets zegt (“come se dice?”), de mensen vinden het leuk als je Italiaans wil leren. Van een aantal werkwoorden (hebben, zijn kunnen, willen, gaan en dergelijke) moet je eigenlijk “het hele rijtje” geregeld bekijken (ik-jij-hij-u enz, enkelvoud-meervoud, tegenwoordige tijd-verleden tijd). Maak er ook een gewoonte van elke dag ’s avonds een beetje te studeren, je hebt toch tijd genoeg.
8 Wat kost zoiets nou?
Toen ik na tien dagen sjouwen besloot mijn tent met alle kampeerspullen terug naar Nederland te sturen, wist ik wel dat het een stuk duurder zou worden dan ik vooraf gedacht had. In Duitsland valt het nog wel mee: Gastezimmer kosten rond 25 euro en die vind je vaak wel. De prijs van een eenvoudige hotelkamer is daar ook niet hoog. Ik vroeg in een hotel meestal eerst naar een “Einfaches Einzelzimmer”, dus zonder bad en toilet op de kamer; als ze die hebben scheelt dat een stuk. Eten is in Duitsland ook niet duur, meer dan 15 euro hoef je niet kwijt te zijn voor een stevig maal.
In Oostenrijk en het Duits sprekende gedeelte van Noord-Italie zijn er ook nog veel Gastezimmer te vinden. Hier doet zich echter al het probleem voor dat je in toeristenplaatsen vaak alleen in het seizoen terecht kunt. Ik heb in Sankt Anton am Arlberg anderhalf uur langs pensions en Gastezimmer gesjokt (na een zeer vermoeiende afdaling van de Arlbergpas) en uiteindelijk nog een veel te duur hotel moeten nemen.
In Italie ten zuiden van de taalgrens vind je soms nog wel een “camera” of een agriturismo voor 30 euro. In alle toeristenstreken zijn de agriturismi echter duurder en bovendien alleen geopend in het seizoen. Hotelprijzen lopen sterk uiteen: van 30 tot 70 euro voor een eenpersoons kamer. Albergi met een of twee sterren zijn best betaalbaar maar die zijn er lang niet altijd. Probeer ook eens een “ostello”, een jeugdherberg, als je er een tegenkomt. Meestal met meer personen op een kamer, lang niet altijd rustig, wel heel goedkoop. Die in Trento lag aan een heel drukke weg (ook ’s nachts) naar het station maar die van Rovereto, de volgende stad, was buitengewoon goed en lag in het rustige centro storico.
Wat eten betreft is Italie natuurlijk niet zo duur maar ik heb daar vaak ook tussen de middag zitten eten (minstens een primo in de vorm van een groot bord pasta!) omdat na zo’n duizend kilometer bij mij de reserves enigszins op begonnen te raken; ik merkte dat ik gewoon meer moest eten.
Heel grof geschat kun je stellen dat je gemiddeld voor “eten en slapen” in Duitsland 50 euro per dag kwijt bent, in Oostenrijk wat meer en in Italie 70 tot 75 euro. Vier weken Duitsland dus ongeveer 1000 euro, drie weken Oostenrijk en Alto Adige 1200 euro, negen weken in het “echte” Italie zo’n dikke 4000… Uiteraard nog afgezien van andere kosten als de landkaarten (alles kopen wat je krijgen kunt), drankjes, internetcafes, telefoneren naar huis enz. Er zijn goedkopere vacanties. Maar als ik al die tijd in Nederland had doorgebracht, had ik ongetwijfeld ook geld uitgegeven; dat moet je er wel af trekken.




Hallo Joos,
de afgelopen twe dagen al een heel groot stuk van je “dagboek” gelezen. Wat leuk dat het je is gelukt dat zo precies bij te houden! Het is het meest complete verslag dat ik tot nu toe gezien heb. Ik zag (aan de zijkant) een verwijzing naar onze site staan; je weet dus waarschijnlijk dat wij eind volgende maand willen vertrekken. De route is nu zo goed als uitgestippeld; met google earth ben ik bezig telefoonnummers/adressen van campings te achterhalen.
Een paar vragen: hoe ben je aan de adressen van internetcafé’s gekomen? Kun je in bibliotheken bijvoorbeeld overal internetten? Verder zag ik dat je een paar keer in natuurvriendenhuizen hebt overnacht. Is er ook een site o.i.d. waarop je die kunt terugvinden (liefst compleet met telefoonnummers). Op de kaarten die we hebben of in de boekjes (we volgen een paar delen van LAW’s) vind ik het handig dat te noteren. Wij zijn dus wel van plan te gaan kamperen; we kunnen het gewicht van alle bagage verdelen, dus we hopen dat dat te doen is. We hebben eerder al verschillende routes gelopen (in Engeland en in Nederland het Pieterpad) dus het is niet voor het eerst dat we met zo’n gewicht lopen.
Groeten,
Helma
Beste Joos,
Bedankt voor je reacties en leuk dat je me volgt.
Ik heb zeker ook naar jou ervaringen gekeken en hier weer mijn eigen variatie op gemaakt.
Ik had al eerder willen reageren, maar onderweg zijn de internet locaties (en mijn tijd) schaars. Ik zocht naar je emailadres om te kunnen reageren en misschien om je eens een vraag te kunnen stellen. Nu dus maar op deze manier, met het verzoek of je mij een keertje een ‘gewone’ email wilt sturen, zodat ik je emailadres kan gebruiken.
Mijn emailadres is: cpvanderwilt@hetnet.nl
Hartelijke groet,
Clarien